|
Landschapsarchiwat?
Ik weet het nog goed. Ger Parlevliet, een Wageningse docent, vroeg zich eens in een college hardop af wat de definitie was van een landschapsarchitect. Dus wie dit was, wat hij eigenlijk kon en wat zijn taak was. Parlevliet keek hoopvol de zaal in. Even was het stil. En na wat voetengeschuivel bleef het stil. Misschien was het de vroegte van de ochtend, of misschien had gewoon niemand zin in een belerende veteraan. Hoe dan ook, de man hield vol, deelde een stapel blanco A4-tjes uit en vroeg iedereen de betekenis van het woord, het begrip, het beroep, op te schrijven.
Een kwartier later bleken 58 mensen 58 totaal verschillende ideeën over de landschapsarchitect te hebben. Van een geëngageerde natuurliefhebber tot een ambachtelijke tuinontwerper, van een Napoleontische stedenbouwer tot een kunstenaar in de openbare ruimte. De landschapsarchitect bleek lastig te duiden, lastiger dan iedereen gedacht had.
Dit is nu een paar jaar geleden, maar nog steeds houdt het me bezig. 'Landschapsarchitect' staat niet in de Van Dale en Wikipedia is er erg zuinig over. Zo helder als een gebouwarchitect is en doet (kinderen weten het!), zo breed en onduidelijk is de figuur landschapsarchitect. Tenminste voor het grote publiek, in de vakwereld hebben we aan een paar woorden genoeg.
Weet je nog die cartoon van Kamagurka in de Volkskrant, toen Dirk Sijmons in 2004 als eerste Rijksadviseur voor het landschap werd aangesteld? Een man in pak, koffertje in de hand, in een lege polder, zegt tegen een mannetje naast hem: 'Die wolk daar moet meer naar links'. Zo werd een invloedrijke landschapsarchitect aan het grote publiek voorgesteld. Een beetje beholpen en gekscherend. Luc Zeebroek wist als geen ander de maatschappelijke houding ten aanzien van de(ze) landschapsarchitect te illustreren: Who the fuck is Dirk Sijmons?
Feestjes en verjaardagen zijn ook vaak exemplarisch. Altijd spannend wanneer iemand vraagt:
'En wat doe jij voor werk?'
(diep ademhalen, vraagsteller inschatten)
'Ik ben landschapsarchitect.'
'Een wat?'
(oei)
'Een l-a-n-d-s-c-h-a-p-s-a-r-c-h-i-t-e-c-t', zeg je langzaam articulerend. 'Een architect voor buiten: tuinen, parken, pleinen, landgoederen, natuurgebieden en ook snelwegomgevingen en uitbreidingsplannen voor dorpen en steden. Dat werk.'
'Ooh..., ok. Dus jij bedenkt waar de bomen moeten staan?'
'Ja, nou ja, niet echt. Het is breder. Het gaat om grip krijgen op de betekenis van een plek en hoe deze zich in de tijd heeft verhoud met de gebruikers. Om uiteindelijk binnen de gestelde opgave en het programma met landschappelijke middelen, ruimtes en sferen te maken, die voor langere tijd weer van betekenis zijn.'
(kijkt moeilijk)
'Een beetje als sociaal ingenieur', voeg je hoopvol toe.
'Jaaaaja..., goh..., leuk.'
(niet begrepen)
'En jij?'
'Ik ben accountant.'
'Aha.'
'...'
Soms zeg ik ook wel eens dat ik architect ben, voor het gemak. Dat landt beter. Maar toch. In een tijd waarin een accountant (geld, geld!) meer tot de verbeelding spreekt dan een landschapsarchitect (terwijl we dagelijks door zijn werk lopen, al eeuwen) is zorgelijk. Is het de vanzelfsprekendheid van die omgevingen of de argeloosheid waarmee we ze gebruiken?
Marc Nolden
---
Deze column verscheen in het lustrumnummer (20 jaar) van tijdschrift TOPOS, periodiek van de leerstoelgroep Landschapsarchitectuur van de Wageningen Universiteit.>>
|