|
Gereserveerd
'Nederlanders gaan minder op visite', lees ik in de krant. Vooral jongeren en hoogopgeleiden zouden er geen trek meer in hebben. Een klein bericht, maar een groot signaal. Visite is een begrip in onze cultuur. Even een bakkie doen, onaangekondigd spontaan aanwaaien. Iets dorps, iets typisch Nederlands. Nog geen dertig jaar geleden zong Lenny Kuhr haar huis vol visite de hitlijsten in en nu keren we het de rug toe. Zijn we het ontgroeid?
Ik zit in een stadscafé en kijk naar buiten. Het is vroeg. Een jonge moeder slalomt haar bakfiets vol peuters haastig om enkele kriskrassende voetgangers. Net terug van het zwembad, gok ik (de haren van de kids zijn nog nat), op naar de crèche (dumpen die handel) en daarna gauw door naar het werk (als de treinen maar rijden). Ambities eisen een tol. We zijn gehaast en amper thuis. Voor een gezellig bakje koffie trekken we een agenda, dat plan je: 'Kun je over drie weken?' En dan het liefst buiten de deur. Heel (Rand)stedelijk, dacht ik aanvankelijk, maar ook in dorpen blijken visiterijders voor dichte deuren te staan.
Bij ons thuis was visite iets wat je overkwam, niet iets wat je plande. Mensen liepen achterom, de achterdeur was los en koffie zo gezet. 'Volluk!' Andersom ook. Er was altijd wel iemand thuis, en anders... niet. Volgende keer beter. In nog genoeg dorpen (en ook stadswijken) geldt dat. De vraag is alleen voor hoelang?
Want het schijnt dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat de mondiale trek naar steden alleen maar toeneemt. Ook in Nederland. Dat kon wel eens het einde van die spontane bezoekjes betekenen. Worden wij langzaamaan allemaal van die gereserveerde stedelingen? Is die landelijke afname van visites al een blijk van een meer stedelijke cultuur? En is Nederland dan toch een (dunbevolkte) stad? Of kunnen we gewoon geen fatsoenlijke koffie meer zetten thuis, en zijn we heel kieskeurig geworden? Dat kan natuurlijk ook.
Ik schuif de krant opzij, roer een aantal achtjes in mijn koffie en bedenk me dat die gereserveerdheid van veel mensen, dat geplan, ook eigenlijk niks nieuws is; zelfs typisch Nederlands (ook al). Neem onze strakke ruimtelijke ordening. Wereldberoemd. Geen spontaan bedenksel, maar een zuivere expressie van onszelf. 'Wij zijn dit landschap, dit landschap zijn wij', zeggen cultuurhistorici. Klinkt aannemelijk, maar wie is wij? Is dit verzonnen en aangeharkte landschap ook mijn landschap? Of het uwe? Of is dit het landschap van slechts een handjevol mensen, die graag plannen?
Wacht eens, zijn het soms die visitewijgeraars, die agendatrekkers? Maken zij overdag onze ruimtelijke plannen? En scharen zij zich onder de groep invloedrijke ontwerpers, beleidsmakers en beslissers van de afgelopen tijd? Een strak gepland en georganiseerd landschap, gemaakt door mensen met een strak gepland en georganiseerd leven. Geen fratsen, geen visite. Ik zie een link. Jammer alleen dat uit dat keurige landschap nu een volkje blijkt te zijn ontsproten dat steeds minder spontaan wordt en de grote steden van de toekomst gaat bewonen. Iemand koffie?
Marc Nolden
---
Deze column is onderdeel van een reeks. Het zijn beschouwingen over ruimtelijke kwaliteit en verschijnen maandelijks op de website van de provincie Gelderland: Gelders Bouwmeesterschap.>>
|