|
Ode aan de stationsrestauratie
Deze tekst is uitgesproken op het cinema- en literatuurfestival Utrecht over Utrecht op 17 juni 2008. Het gaat over de invloed van globalisering op steden en plekken. Ik schets een toekomstscene op Utrecht CS.
Ijzer op ijzer, de knarsende remmen van een trein. Een heel perron lang. Deuren klappen open. Honderden mensen glijden als een modderstroom uit de trein. De zwarte brei vloeit uit over de langgerekte instapstoepen. Een overdonderend geraas van schoenhakken volgt. Een stem schalt uit de tientallen stationspeakers: aanwijzingen, commando's. Ieder zoekt zijn weg. Het hakkengeklak mengt zich met luid geroezemoes en door elkaar heen klinkende ringtones. De aankondigingstoon voor een nieuw commando dingdongt boven alles uit. Geuren, kleuren en klanken gaan in elkaar op.
Zo veel mensen op een plek, als bij een groot spektakel. Maar niemand is hier om te zijn. Het station zelf is geen bestemming. Mensen komen, maar gaan vooral. Tussen aankomst en vertrek zit helemaal niets, behalve haast. Op het stationsplein etaleren landelijke ketens. Herkenbaar, maar vooral voorspelbaar. De deuren van de platenzaak, de friettent en de broodjeshoek staan wagenwijd open. Overal dezelfde waren en logo's, overal hetzelfde decor. Alleszeggend, maar niets betekenend. Waar ben ik? Of maakt dat niet uit?
Het treinstation is een klein knoopje in een uitgestrekt spoornetwerk. De spoorkaart illustreert het treffend: stations zijn niet meer dan witte bolletjes langs dikke zwarte lijnen. Langs de perrons waait een straffe wind van nationale, soms internationale invloeden. Het netwerk is voelbaar: grootschaligheid en commercie domineren. Maar welke knusse stad ligt achter deze futuristische glazen hal? Dit is toch ook een stedelijke ruimte, een ruimte die toebehoort aan de stad. Maar hier geen straatklinkers en houten bankjes. Dit is een reizigersverwerkingsfabriek met glimmende plavuizen en beveiligingspoortjes. Waarom geen lokale platenzaak, of een buurtsuper? En waarom spreekt de omroeper niet in dialect?
Eigenheid bestaat niet meer. Je moet er naar zoeken, heel goed zoeken. Ergens verscholen achter een lange glazen gevel tussen twee reclamezuilen, vind je de stationsrestauratie. De letters boven de deur zijn blauw en zwierig. Het contrast is schitterend, de deur achter je dichttrekken is de wereld even buiten laten. Het geraas gaat wel door, maar nu even zonder mij. Binnen is het warm en knus, en het valt op dat niemand beweegt. Een paar mensen zitten stilletjes aan gladgelakte tafels. Hoge ramen gaan over in een gedetailleerd plafond. Een gorgelend espresso-apparaat en een eigenwijs muziekje maken de sfeer compleet. Aan een tafel bij het raam bestel ik een kop koffie met een huisgemaakt stuk appeltaart. Buiten stopt een trein. Een modderstroom komt op gang. Even sluit ik mijn ogen. Ik voel me als in een foto. Een met een hele lange sluitertijd, waarin je van bovenaf een drukke autosnelweg door een klein stadje ziet denderen, 's nachts, met van die lange doorlopende witte en rode lichtstrepen, vlak langs een klein wit huisje. En als je door het raampje naar binnen kijkt, zie je een knusse huiskamer: een schemerlamp, een schilderij aan de muur, een plant in de hoek en een tafel bij het raam. Daar zit ik. Ik staar naar de ellenlange lichtstrepen. Utrecht Centraal, CU in 2030.
Marc Nolden
|