|
Komkommer
Zomer.
Oh, fijne zomer.
De warmte, de zon, het licht. De mooie bruinverbrande mensen. Kalmte. Het hangt in de lucht. Ook in de stad. Misschien wel juist in de stad. Het is er anders dan normaal. Luwte. Velen zijn vertrokken. Op vakantie. Yuppen-stellen met hun etterige modelkinderen. Opgepropt in hun witte Prius naar Zuid-Frankrijk.
Dag, tot ziens.
Minder mensen nu. Minder haast, meer ruimte. Geestelijk en fysiek. Wolken tellen in een stadspark, dromen. Op de drukste terrassen is nog plek. In de trein opeens zitplaatsen. De stad bedaart, slaakt een zucht. Het landschap niet. Ze heeft het zwaar in de zomer. Fietsers en wandelaars, zo ver je kunt kijken. Bulderende motoren over smalle dijkwegen. Krijsende kinderkuddes op Veluwse familiecampings. Ijslikkende mensenmassa's aan ordinaire stranden. Overvolle wegen, zwarte zaterdagen en klamme ruggen. Witte caravans in trage kuddes over het zinderende asfalt.
Succes.
Ik zit in de stad.
'Hot time, summer in the city', zong Joe Cocker ooit. Over hete straten, versufte mensen. En over koele nachten en uitbundig flirtende mensen. Met hese stem, wild gebarend. Verlangend.
Zomer.
Oh, fijne zomer.
De stad haalt opgelucht adem. Een maal per jaar. Ik zelf ook, in de stad die ademhaalt. Dubbelop, samen extra diep. Kranten dun, televisie saai. Weinig ellende, weinig nepvermaak. Prima. Komkommertijd, zegt men. Maar dat is een ongepast woord. Bedacht door rusteloze mensen. Door gretige economen. Door blinde workaholics. Er is genoeg te zien, genoeg te doen. Misschien juíst wel nu. Wat heb je nodig? Ramen open. Muziekje aan. Koffie in de vensterbank. Een zomers briesje. De dag lonkt. Niks komkommertijd. Een oude fabel uit Engeland.
Cucumber time, riep men rond 1700. Toen zomers voor kleermakers slappe tijden waren. De adel (de klant) trok de stad uit. En kleermakers leefden dan op komkommers. Noodgedwongen vegetariërs. Een tijd van slappe handel. Een tijd van komkommers. Zo wil het verhaal.
Ergens voel ik me als de kleermakers. Achterblijven in een luwe stad. De yuppen als de vertrekkende adel. Maar ik heb ze niet nodig. Ze zijn niet mijn klant. Ik geniet van hun afwezigheid. Ik heb de stad nodig. En andere achterblijvers. En hun verhalen.
Zomer.
Oh, fijne zomer.
Je geeft de stad een goed humeur. Mensen ontdooien. Mensen worden mensen. Een babbel, zo maar, overal. Zoals laatst, in een werkruimte in de stad. Ik kom er vaak. We hadden het over moestuinen. Dat die hip waren. Back to basic. Nuttig en leuk, niet per sé mooi. Maar dat kon ik veranderen als ontwerper. Ze had er zelf ook een, een moestuin. Een bewust typje, werelds, slim en mooi. Wat anders dan een harige vent met biologisch afbreekbare kleren. Ze bestaan. Chique, vond ik het. Zo'n privé-smultuin, midden in de stad. Geen lullig plukje munt in de vensterbank, zoals bij mij. Of een opgewipte stoeptegel met een bos tijm, zoals bij de buurman. Nee, een tuin-tuin. Met zon, sfeer en voedsel.
Ik vroeg wat moes was, in moestuin. Geen idee. Puree? Twijfel. Ze beloofde me jam uit haar tuin. Voor geld. En komkommers. Voor in de salades. Zomerse salades. Zo maar. Komkommertijd... 'in the summer, in the city'.
Marc Nolden
---
Deze column is onderdeel van een reeks. Het zijn beschouwingen over ruimtelijke kwaliteit en verschijnen maandelijks op de website van de provincie Gelderland: Gelders Bouwmeesterschap.>>
|