|
De wind huilt
Er is iets vreemds aan de discussie over windenergie in Nederland. Vooropgesteld: duurzame energie is de toekomst. Maar we staren ons blind op allerlei streefgetallen en taakstellingen, afkomstig van de politiek. Bijvoorbeeld de ambitie om in 2020 6000 MW aan windturbines op land te willen. Dat is 4000 MW meer dan we nu hebben. Niemand weet de oorsprong van dit getal. En of dit wel reëel is, gezien het laadvermogen van ons relatief kleinschalige landschap. Waar plant je 1200 windturbines, zo hoog als de Euromast, zonder de regionale landschappelijke verschillen om zeep te helpen? Kan dat eigenlijk wel?
Bij provincies en gemeenten geen twijfel, zo lijkt het. Stuk voor stuk zetten ze windenergie op 'de agenda' (wij zijn ook duurzaam), leggen zichzelf potserige taakstellingen op (wij zijn groener dan een ander) en speuren verwoed naar een onbenutte postzegel op een bedrijventerrein of een reepje grasland langs een provinciale weg om een windmolen op te prakken. Maar de optelsom van die losse plannetjes levert op de schaal van Nederland natuurlijk geen samenhangend beeld op. Eerder een doemscenario: overal molens.
We staan voor misschien wel de meest ingrijpende ontwerpopgave in de geschiedenis van ons landschap, nog nooit hebben we zo iets gedaan, en we doen alsof we die megawattjes wel even weg kunnen zetten. Wat is dat toch?
In 2007 adviseerde Dirk Sijmons, toenmalig Rijksadviseur voor het Landschap, dat het voor de plaatsing van deze megaturbines nodig was om een plan op de schaal van heel Nederland te maken, omdat deze turbines zo groot zijn, dat je ze van ver kunt zien en een impact op ons landschap hebben die de gemeente- en provinciegrenzen overstijgt. Hij pleitte voor het aanwijzen van zogenaamde vides (waar vooral niet) en van concentratiegebieden (waar wel, en dan goed) en wenkte naar de grootschalige windrijke zeekleipolders langs de kust. Hij wenste de betreffende 'windprovincies' veel wijsheid toe in het maken van gezamenlijke plannen. Twee jaar later ontdekte Sijmons' opvolgster Yttje Feddes dat daar nog niet veel van terecht gekomen was. De provincies waren wel aan de slag gegaan, maar elk op hun eigen manier, waardoor er bijvoorbeeld aan drie zijden van het IJsselmeer windparken werden geschetst zonder dat men dat van elkaar wist.
Binnenkort verschijnt het Ruimtelijk Perspectief voor Windenergie op Land, een beleidsvoorbereidende studie van het ministerie van VROM, waar Feddes aan meedacht. Hierin aandacht voor vides, de (samenhangende) concentratiegebieden en hun laadvermogen. Mooi. Maar is het op tijd? De provincie Gelderland presenteerde onlangs de 'Gelderse aanpak van windenergie'. Een ambitiedocument waarin ter in- en aanleiding vier bestaande windmolenclusters worden beschreven (bij Culemborg, Zutphen, Aalten en Echteld), die ze trots windparken noemen, maar elk niet groter zijn dan vier turbines en samen maar 36 MW aan vermogen leveren. Spielerei, als je het mij vraagt. Maar Gelderland wil meer en streeft naar 140 MW(?) en gaat met gemeenten in dialoog over waar en hoe.
Dus terwijl Sijmons en Feddes een 'opschalend' Nationaal verhaal voor windturbines propageren en de kustprovincies aftasten naar daadkrachtige efficiënte opstellingen - om in de toekomst voor te kunnen sorteren op grootschaligere (internationale) initiatieven in de Noordzee - gaat Gelderland juist de andere kant op en duikt met een eng optimistisch verhaal over meer plukjes windmolens dieper de provincie in. Kan iemand me uitleggen waarom?
Marc Nolden
---
Deze column is onderdeel van een reeks. Het zijn beschouwingen over ruimtelijke kwaliteit en verschijnen maandelijks op de website van de provincie Gelderland: Gelders Bouwmeesterschap.>>
|