|
Mobiel
Een doordeweekse dag. Nawinter, een opgewekt zonnetje, graadje of 4, ideale omstandigheden om tussen wat werkzaamheden een frisse neus te halen. Als ik de voordeur achter me dichttrek, sluit ik mijn rits tot de laatste centimeters, steek m’n handen diep in de jaszakken en zet koers.
Ik kom op het idee om een krantje te halen op het station en door te steken naar het centrum. Enkele minuten later sla ik de voorpagina van de Volkskrant open in een café aan de Neude. Bij het raam bestel ik een kop koffie en blader langs de vetste koppen. Nieuws verandert snel in ‘ouds’ en het nippen aan mijn koffie wordt mijn primaire bezigheid. Ik richt mijn blik naar buiten en observeer wat mensen die kriskras over het plein koersen.
Wanneer ik mijn laatste slok neem, staat er een jonge dame pal voor het raam. Lang, spijkerbroek, donker haar. Een student, gok ik, en gezien haar lichaamstaal op zoek naar de persoon met wie ze heeft afgesproken. Ze lijkt deze plek gekozen te hebben, vanwege de opvallende luifel. De enige in het rijtje café’s. Onrustig wisselt ze van standbeen.
Neude, heel vroeger een belangrijke handelsplaats aan de Rijn. Drassig als het was, verkochten handelaren hier hun waar, afkomstig van de schuiten. Bij de groei van Utrecht diende het later als marktplaats en in de Middeleeuwen zelfs als executieterrein. Tot in de vorige eeuw devalueerde het naar een parkeerplaats, omdat het Vredenburg een betere plek bood voor een marktplaats. En nu? Afgezien van incidentele evenementen en glazen huizen, lopen hier voornamelijk mensen, wachten ze op iemand die mee loopt, en lopen vervolgens samen weer weg. Weg van de Neude, want op de Neude spreek je immers alleen af.
De spijkerbroek met het lange haar staat nog steeds voor het raam. Wachtend en even werpt ze een blik naar binnen. De koffie is op, ik laat wat geld liggen en wanneer ik mijn jas aantrek bedenk ik haar even gedag te zeggen als ik het café uit loop. Gewoon, sociaal trekje. Ik zou kort uitleggen dat ik haar al een poosje zag staan en dat wachten op een plek als deze helemaal geen straf hoeft te zijn. De architectuur, het verhaal van het plein, het zonnetje, de dure bestrating...
Als ik de deurklink van het café aan de buitenkant weer loslaat staat ze een paar meter verder dan net, te bellen. Met een telefoon in haar linkeroor en een wijsvinger in haar rechteroor, vertelt ze haar responder uitbundig ‘hoe het gaat’, ‘waar ze is’, en dat ze belde om te horen ‘hoe het met jou is’. Een vriendin, of een huisgenoot. Bellen omdat ze moet wachten. Als ik nader draait ze haar rug naar me toe. Stoor ik?
Gek is dat, daar net leek ze veel dichterbij. Totaal onbekenden, maar niet vreemd van elkaar. We zijn stadsgenoten. Nu belt zij inmiddels hardop, en is met haar gedachten totaal ergens anders. Eigenlijk negeert ze de plek, mij en iedereen in haar buurt. De plek doet er eigenlijk niet meer toe. Dat is slechts decor, vervangbaar. Ik loop haar voorbij. Halverwege de terugtocht gaat mijn telefoon. Met een frons druk ik hem uit.
Marc Nolden
|